Ieder mens heeft behoefte aan grip op zijn leven, en omdat mensen met een verstandelijke beperking dit niet denkend doen, doen ze het handelend. Dit maakt dat mensen met een verstandelijke handicap veel dwangmatige handelingen en fixaties hebben. Hoewel zij hieraan houvast ervaren, maakt het ze ook vaak onvrij. Wanneer ik hen van deze dwangmatigheden wil verlossen, zal ik een ander, zinvoller handelings-houvast ervoor in de plaats moeten aanbieden. Binnen Tirillo doe ik dat door het creëren van een continue handelingsstroom. We zijn steeds bezig, we doen de dag.
Beginnend met handelen, kan er wel degelijk een ontwikkeling van het denken op gang komen. De Oostenrijkse arts Karl Konig benoemt 3 fasen in de denkontwikkeling van het jonge kind, die zeer herkenbaar zijn bij mensen met een verstandelijke handicap:
-merken (in de situatie weten wat de bedoeling is),
-bezinnen (weten hoe die verschillende situaties elkaar opvolgen)
-herinneren (met je denken kunnen springen naar situaties in het verleden)
Bij de meeste ernstig en matig verstandelijk gehandicapte mensen versterk je eerst het merken. Alle situaties moeten heel duidelijk zijn. (wat doen we hier eigenlijk?) en omdat uitleggen meestal niet helpt, betekent het dat er duidelijke voorbeelden moeten zijn zodat er geïmiteerd kan worden, en vervolgens herhalen, soms jaren.
Het bezinnen versterken doe je door het verloop van de activiteit te benadrukken, liefst door activiteiten met een kop en een staart, benadrukt door vast opeenvolgende rituelen, waarbij je min of meer tegelijk dezelfde dingen doet. We gaan eerst met z’n allen deeg kneden, daarna er samen bolletjes van vormen, en tenslotte het samen op het bakblik leggen. Een stap verder kan zijn: ik doe het meel in de kom, en Pietje zit naast mij en die doet de boter erin, waarna Jantje het zout. Ook de overgang naar een volgende activiteit hoort tot het bezinnen, en moet gedaan worden. Je pakt je stoel en zet hem in de kring. En stap verder ontstaat al gauw, in een groep van verschillend nivo zijn altijd wel mensen die de stap naar de volgende activiteit al kunnen zetten, en tot voorbeeld kunnen zijn.
Het herinneren is het moeilijkst, en gaat in groepsverband. Aan het eind van de dag kijken we terug op de dag; wat hebben we vanmorgen op de boerderij gedaan? Eerst worden er algemene dingen genoemd, die elke dag gebeuren. En door die associatie komt er eentje met: “er was een klein geitje!” Waarop de volgende weer verder associeert. Met hulp van elkaar bouwt de groep een herinnering op.
Ook om te weten wat je wil, moet er eerst een duidelijke handelingsomgeving zijn. Zoals beschreven moet deze duidelijkheid binnen elke activiteit aanwezig zijn. In eerste instantie gaan we als groep samen brood bakken, stallen uitmesten, etc. Via imitatie is dit het duidelijkst en gemakkelijkst om mee te doen. (fase van het merken) Wanneer de activiteit zich verder ontwikkelt, en cliënten krijgen helder wat we hier doen, ontstaan er deeltaken.
In het begin liggen deze deeltaken vaak bij mij als begeleider, maar wanneer er gaten vallen zie je dat cliënten initiatieven nemen. (een cliënt die die taak heeft is er een keertje niet, is het vergeten, maar ik kan het natuurlijk ook expres zelf vergeten)
Door de combinatie van verschillende interesses en kwaliteiten ontstaat er na verloop van tijd een taakverdeling. Regelmatig eist iemand een taak op. Soms geef ik iemand een taak. En soms ontstaat de taak vanuit probleemgedrag. Iemand is bijvoorbeeld steeds aan het gooien met spullen, en wordt geleidelijk de opruimer van de groep. Het is zaak steeds met een open blik te kijken naar de positieve richting die verborgen ligt in het probleemgedrag. Zo worden individuele kwaliteiten (in wording) zichtbaar.
Ik denk dat het een diepe menselijke behoefte is om zin te ervaren in je leven. Het beroepsleven (in de breedste zin) biedt deze mogelijkheid, omdat werk slechts bestaat omdat er behoefte aan is. Werkt doet altijd iets voor iets of iemand anders, en dat is zinvol. In gesprekken met mensen met een verstandelijke handicap is goed te merken hoe trots en blij zij zijn met hun beroep. Zinvol werk geeft dus zelfbeleving, zelfwaardering en identiteit.
Het ervaren van je werk als zinvol brengt motivatie teweeg. Deze motivatie geeft kracht wanneer je (om wat voor reden dan ook) een keer “geen zin” hebt. Als je naar dagbesteding moet, en je gaat daar wat zitten kleuren voor jezelf, dan geeft dat geen extra motivatie. Kleur je een kaarsendoos die straks verkocht gaat worden aan mensen die je ook nog kent, en er blij mee zijn, dan is de motivatie groter.
Zinvol werk helpt dus om jezelf te overwinnen. Regelmatig jezelf overwinnen maakt je weerbaarder tegenover andere moeilijkheden van het leven.
Omdat je zinvol werk doet voor iets of iemand uit je omgeving, staat zinvol werk in verbinding. Verbindingen ervaren geeft houvast aan mensen met een verstandelijke handicap om de wereld te begrijpen. Zinvol werk geeft dus houvast en maakt je deel van een geheel.
Gedurende het werken met een groep mensen met een verstandelijke handicap, probeer ik alle ervaringen terug te brengen tot een enkele, duidelijke, gezamenlijke en overzichtelijke handelingswereld. Deze ene wereld proberen we te begrijpen en erin te handelen. We bakken brood, en alles wat er gebeurt in de broodbak-ruimte heeft te maken met broodbakken. Dit geeft een enorm krachtige focus. Wanneer wij bijvoorbeeld aan het werk zijn, en er stoort iemand, dan geef ik meteen de verhouding aan tot het werk, het storende wordt even onderdeel van het werk totdat we weer verder kunnen. Wat kom jij doen, wij zijn brood aan het bakken! Kom je ons helpen, of kom je kijken? We vragen ons dus met de hele groep af wat diegene komt doen, en maken ook duidelijk wat wij aan het doen zijn. Dit is de buitenwereld binnenhalen.
De binnenwereld buiten is het invoegen van iemands emotionele binnenwereld in de uiterlijke praktische wereld. Als ik me ongeduldig voel, dan merken mijn cliënten dat toch wel. Als ik mijn ongeduld speels theatraal naar voren breng, dan wordt “ongeduld” herkend en wordt er functioneel op gereageerd. (even wachten Lieuwe! of: we moeten opschieten!)
Bij het voordoen gaat het om demonstreren van wat je altijd al doet, maar nu met publiek. Mensen met een verstandelijke handicap hebben vaak weinig mogelijkheid tot kijken naar zichzelf. Publiek zorgt ervoor dat je, via de ogen van de ander, toch even naar jezelf kunt kijken. Publiek wordt vaak als zeer prettig ervaren.
Nadoen is het terug spelen van wat al gebeurd is. Vergeleken met een verbale terugblik heeft spelen als voordeel dat beelden meestal sneller worden begrepen door mensen met een verstandelijke handicap. Daarnaast plaatst naspelen je midden in een ervaring, waardoor je ook meer herinnert dan wanneer je het alleen denkmatig doet.

Geef een reactie

Je email adres wordt niet gepubliceerd. Required fields are marked *

Post comment